Branche

Nieuws.

Hèt actuele nieuws voor (potentiële) ondernemers zoals u.
Bron: Sdu

Geen administratie bijhouden is onherstelbare schending

08-06-2021

Een schending van de wettelijke administratieplicht die bestaat uit het helemaal niet bijhouden van een administratie kan men niet achteraf herstellen. De belastingrechter mag in deze situatie de ondernemer niet verplichten alsnog te voldoen aan verplichtingen volgens een informatiebeschikking.
In een zaak voor de Hoge Raad stelt de inspecteur dat een man (verzwegen) inkomsten heeft genoten uit het voor derden verzorgen van belastingaangiften. Daarom kreeg de man belastingaanslagen IB/PVV over 2011 tot en met 2014 opgelegd. In de bezwaarprocedure heeft de inspecteur een informatiebeschikking gegeven wegens schending van de administratieplicht. Bij de rechtbank beargumenteert de inspecteur dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden (ROW). In hoger beroep wijzigt hij zijn standpunt; het gaat hier volgens hem om winst uit onderneming. Het hof laat de beschikking in stand. De man krijgt zo de gelegenheid om zijn schending van de administratie te herstellen. In cassatie beweert de man dat het hof in de procedure over de informatiebeschikking geen oordeel heeft mogen geven over de vraag of de man ondernemer is of resultaatgenieter. De Hoge Raad verwerpt deze bewering. De wettelijke administratieplicht is opgelegd aan lichamen en personen die een zekere hoedanigheid hebben. De vraag of het lichaam of de persoon in kwestie die hoedanigheid heeft, moet men dus beantwoorden in de procedure over de informatiebeschikking. Met zijn oordeel dat de man in de jaren 2011 – 2014 bedrijfsmatige activiteiten heeft verricht, oordeelt het hof dat hij in die jaren als ondernemer een bedrijf uitoefende als een administratieplichtig natuurlijk persoon. Dit oordeel is volgens de Hoge Raad cassatieproof. Dat men voor de beoordeling van de juistheid van de informatiebeschikking moet uitgaan van de kwalificatie die de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen aan de voordelen heeft verbonden, is evenmin juist. De inspecteur mag in de bezwaarfase of voor de rechter andere gronden aanvoeren dan hij eerder heeft gedaan. De enige uitzonderingen doen zich voor bij een ondubbelzinnig prijsgegeven of bij strijdigheid met een goede procesorde. Maar dat is hier niet het geval. Maar het oordeel van het hof dat de Belastingdienst ook dient te beschikken over de administratie van 2015, is niet cassatieproof. Het hof heeft met betrekking tot in dit verband relevante activiteiten van de man in 2015 niets vastgesteld. Daarmee staat niet vast dat de man in 2015 administratieplichtig was. Dat heeft echter geen gevolgen de vraag of de man in de jaren 2011 tot en met 2014 de wettelijke administratieplicht heeft geschonden. Ambtshalve gaat de Hoge Raad nog op het volgende in. De administratieplicht betekent dat de rechten en plichten van het bedrijf en de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens te allen tijde duidelijk uit de administratie moeten blijken. Dit brengt met zich dat men de administratie regelmatig moet bijhouden. Het uitgangspunt is daarom dat het niet mogelijk is om achteraf alsnog aan de administratieplicht te voldoen als vaststaat dat de administratieplichtige heeft nagelaten een administratie bij te houden. In zo’n situatie kan aan de man geen nieuwe termijn worden gegeven om alsnog te voldoen aan de in de informatiebeschikking bedoelde verplichting(en). De beslissing van het hof is op dit punt onjuist. Uitsluitend om die reden verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van de man gegrond. Bron: Hoge Raad 04-06-2021

Beschikkingen Wtl 2020 in aantocht

08-06-2021

De Belastingdienst verstuurt vanaf 3 juni de beschikkingen Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) 2020. Wie over 2020 recht heeft op één of meer tegemoetkomingen, ontvangt de beschikking vóór 1 augustus 2021.
In de beschikking staat het te ontvangen bedrag voor de loonkostenvoordelen, het lage-inkomensvoordeel (LIV) en het jeugd-LIV. Dit bedrag is gebaseerd op de definitieve berekening die als bijlage bij de beschikking zit. Binnen zes weken na dagtekening van de beschikking betaalt de Belastingdienst het bedrag uit. Als de beschikking niet juist is kan het beste worden gecontroleerd of dit komt door afrondingsverschillen. Vergelijk hiervoor de beschikking met de verloonde uren uit de aangiften loonheffingen. In de aangiften loonheffingen zijn de uren namelijk afgerond op hele uren. Op basis hiervan berekent UWV de tegemoetkomingen Wtl. De beschikking vergelijken met de uren uit de loonadministratie heeft geen zin. Is men het niet eens met de beschikking, dan kan bezwaar worden gemaakt. Correctieberichten na 1 mei 2021 neemt UWV niet mee in de definitieve berekening. De gegevens uit de correctieberichten worden wel opgenomen in de polisadministratie. Het is wel verplicht om een fout te herstellen door de aangifte te corrigeren. Bron: Forum Fiscaal Dienstverleners 03-06-2021

Zonnepanelen maken niet hele woning zakelijk

07-06-2021

Soms is iemand uitsluitend btw-ondernemer omdat hij een nieuwe woning met zonnepanelen laat bouwen. Als hij de zonne-energie alleen voor privédoeleinden opwekt, kan hij de btw op de bouwkosten van de woning niet aftrekken.
De rechtbank moet in vier vergelijkbare zaken uitspraak doen. Steeds gaat het om een particulier die een nieuwe woning met (niet-geïntegreerde) zonnepanelen laat bouwen. De eigenaar van de woning wordt btw-ondernemer vanwege de zonne-energie die hij met zijn zonnepanelen levert. Hij stelt daarom dat hij ook de woning als btw-ondernemer heeft verworven en dus wil hij een deel van de btw die betrekking heeft op de koopprijs van de woning aftrekken. Dit deel is gelijk aan het oppervlak van de zonnepanelen gedeeld door het totale woonoppervlak. Rechtbank Noord-Holland is het met de woningeigenaren eens dat men moet nagaan of zij de woning als btw-ondernemer hebben verworven. Bij verwerving als btw-ondernemer is de volgende vraag in welke mate de eigenaar zijn woning gebruikt voor btw-belaste prestaties. Maar zo ver komt het in deze zaak niet. De rechtbank bevestigt dat de eigenaren vanwege de exploitatie van zonnepanelen btw-ondernemer zijn. Uit de feiten blijkt echter ook dat de zonnepanelen alleen zijn bedoeld voor het opwekken van energie voor privédoeleinden. De eigenaren maken geen streven naar overcapaciteit aannemelijk. En dus hebben zij hun woningen niet als btw-ondernemer verworven, waardoor de btw op de bouwkosten evenmin aftrekbaar is als voorbelasting. Bron: Rb. Noord-Holland 26-05-2021

Investeer in brede welvaart, publieke sectoren en toekomstig verdienvermogen

03-06-2021

De titel van het ontwerpadvies voor de middellange termijn (mlt) dat de SER heeft gepubliceerd luidt: ‘Zekerheid voor mensen, een wendbare economie en herstel van de samenleving.’ De SER adviseert het nieuwe kabinet fors te investeren in brede welvaart: in zekerheid van werk en inkomen, in toekomstig verdienvermogen, in sterke publieke dienstverlening en een duurzaam leefklimaat.
Met dit ontwerpadvies beantwoordt de raad ook de vraag van het huidige kabinet om een visie te geven op de toekomstige arbeidsmarkt. Ten aanzien van de arbeidsmarkt, inkomensverdeling en gelijke kansen wordt (in het kort) onder andere het volgende geadviseerd: Beperk tijdelijke contracten tot drie tijdelijke contracten gedurende maximaal drie jaar. De wettelijk onderbrekingstermijn komt, op een paar uitzonderingen na, te vervallen. Oproep- (inclusief nuluren-)contracten worden afgeschaft en vervangen door basiscontracten met ten minste een kwartaalurennorm waardoor het loon van een werknemer voorspelbaar is. Scherp het uitzendregime aan en verbeter de positie van uitzendwerknemers. Een onderneming moet de mogelijkheid krijgen eenzijdig de arbeidsduur (tijdelijk) voor alle werknemers met maximaal 20% te verlagen bij bedrijfseconomische omstandigheden die anders tot ontslag zouden hebben geleid. Werkgever en werknemer kunnen met wederzijds goedvinden bij dreigend ontslag kiezen voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst met inbegrip van een van-werk-naar-werk-route. De transitievergoeding kan dan achterwege blijven. De zelfstandigenaftrek wordt afgebouwd in samenhang met de overige maatregelen die de bescherming van zelfstandigen verbeteren en met een effectieve oplossing voor het kwalificatievraagstuk. Hiervoor in de plaats komen fiscale faciliteiten voor zelfstandige ondernemers die daadwerkelijk risico lopen met eigen investeringen. Zelfstandigen worden verplicht zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid om oneerlijke concurrentie en te grote inkomensrisico’s voor individuen te voorkomen. De (T)OZO biedt aanknopingspunten om een sociaal vangnet voor zelfstandigen te creëren voor bijzondere en onvoorziene omstandigheden. Ter bestrijding van de schijnzelfstandigheid wordt voorgesteld een rechtsvermoeden van werknemerschap laten te gelden bij een tarief onder het maximumdagloon (€ 30 - € 35 per uur). Indien de werkende meent dat hij/zij werknemer is, is het aan de opdrachtgever voor de rechter te bewijzen dat dit niet het geval is. Bij tarieven boven het maximumdagloon verandert er in principe niets. In dat geval kan de verdere ontwikkeling van de webmodule bijdragen aan het verkrijgen van duidelijkheid vooraf over de aard van de arbeidsrelatie. Nederland is gemiddeld genomen een welvarend en gelukkig land, maar is er tegelijkertijd sprake van toenemende ongelijkheid en maatschappelijk ongenoegen. Bovendien staat Nederland voor een aantal zeer grote opgaven. Door toenemende kansenongelijkheid en doordat veel mensen minder grip ervaren op hun toekomst en hun leefomgeving zijn er spanningen in de samenleving. Nederland moet zich herstellen van de coronacrisis, waardoor het belang en de kwetsbaarheid van vitale sectoren zijn onderstreept. Tegelijkertijd staat Nederland aan de vooravond van een aantal grote transities zoals de energietransitie, de introductie van nieuwe technologieën, digitalisering en de vergrijzing van onze bevolking. Deze fundamentele veranderingen zullen veel vragen van het aanpassingsvermogen. Ter bevordering van gelijke kansen en de kwaliteit van de toekomstige beroepsbevolking wordt geadviseerd het onderwijs en de kindvoorzieningen in Nederland te verbeteren. De raad is bovendien van mening dat het wettelijk minimumloon verhoogd moet worden waarbij de koppeling met uitkeringen in stand blijft. De komende jaren moeten forsere investeringen plaatsvinden dan tot nu toe is voorzien. Investeringen in kennis en innovatie, in onderwijs, in digitalisering en nieuwe technologieën, in infrastructuur en in de verduurzamingsopgave. Investeringen zijn ook noodzakelijk voor een goed functionerende en toegankelijke publieke sector. Overheidsondersteuning is nodig voor het stabiliseren en herstellen van de economie, zolang het economisch herstel nog kwetsbaar is. Zorgvuldigheid is nodig bij het afbouwen van de steunmaatregelen, dit moet gebeuren in lijn met de afbouw van beperkende maatregelen. Lastenverzwaringen en bezuinigingen zijn onverstandig. Een goede timing en maatwerk zijn cruciaal. Het ontwerpadvies wordt nog voorgelegd aan de verschillende achterbannen, alvorens het wordt vastgesteld in de Raadsvergadering van de SER. Bron: SER 02-06-2021

Mogelijk solidariteitsheffing en langer uitstel van betaling

03-06-2021

Tijdens het coronadebat van woensdag 2 juni zijn door Tweede Kamerleden verschillende moties ingediend onder meer om het uitstel betaling van belasting te verlengen tot 1 oktober 2021 en de invorderingsrente gedurende de betalingstermijn te handhaven. Ook wordt voorgesteld te onderzoeken of het mogelijk is een tijdelijke solidariteitsheffing in te voeren voor bedrijven die juist in de coronacrisis extra winst hebben gemaakt.
Op 27 mei kondigde het kabinet aan de steunmaatregelen voort te zetten in het derde kwartaal van 2021. Eén van de maatregelen betrof het aflossen van de belastingschuld die ondernemers hebben opgebouwd vanwege de coronacrisis. Ondernemers hoeven pas vanaf 1 oktober 2022 te starten met betalen en hier is vijf jaar de tijd voor. Dit was drie jaar vanaf 1 oktober 2021. Wel wordt van ondernemers verwacht dat zij vanaf 1 juli 2021 weer belasting gaan betalen. Een ruime meerderheid van de Tweede Kamer wil nu dat bedrijven pas vanaf 1 oktober weer aan hun nieuwe belastingverplichtingen moeten voldoen. Minister Hoekstra ontraadt deze motie en vindt het 'echt verstandig' om hier vanaf 1 juli weer mee te beginnen. Een ander maatregel uit het steunpakket betrof de invorderingsrente. Op 1 januari 2022 wordt het percentage invorderingsrente op 1% in plaats van 4% vastgesteld, en dit percentage gaat vervolgens stapsgewijs omhoog gaat tot 4% op 1 januari 2024. De motie om de invorderingsrenten gedurende de hele betalingstermijn (60 maanden) op 0,01% te handhaven, wordt door de minister ontraden. Volgens Hoekstra is het redelijk om de invorderingsrente in 2024 op het oude percentage te laten terugkeren. Het CDA stelt voor om bedrijven die in de coronacrisis extra winst hebben gemaakt een solidariteitsheffing op te leggen als bijdrage aan de steun voor noodlijdende bedrijven. Minister Hoekstra heeft aangegeven bereid te zijn de mogelijkheden van een solidariteitsheffing onderzoeken voor het Belastingplan 2022. Het is expliciet niet de bedoeling om hieraan terugwerkende kracht te verbinden. Het kabinet is verder bereid om te onderzoeken of er voor specifieke schrijnende situaties oplossingen denkbaar zijn voor eventuele problemen die ontstaan binnen het uitstel van belastingen. Daarbij wil het kabinet onderzoeken of het instellen van een team voor de Belastingdienst een begaanbare weg is. Bij RVO en UWV zijn daarvoor al loketten ingericht. Verder is er in de Tweede Kamer grote verontwaardiging over het uitkeren van flinke bonussen door Booking.com. Ook minister Koolmees is vol onbegrip maar juridisch is er niets aan te doen zo bleek tijdens het debat over coronasteun. Vorige week werd bekend dat door een regelverandering het Amerikaanse bestuur van Booking.com in totaal zo’n € 26 miljoen aan bonussen kon bijschrijven, met name in de vorm van aandelenpakketten. In het eerste steunpakket golden nog geen nadere voorwaarden over uitkering van bonussen en dividend. Het kabinet doet nu een beroep op het bedrijf (en andere bedrijven) die vorig jaar onnodige staatssteun kregen om dat geld terug te storten Op het ministerie van Financiën is berekend dat een flink deel van de coronasteun waarschijnlijk terechtkwam bij bedrijven die dat niet nodig hadden. Dat bleek uit een analyse van het economenblad ESB. Volgende week wordt door de Tweede Kamer over de ingediende moties gestemd. Bron: TK 02-06-2021

Te herinvesteren winst is soms te conserveren inkomen

02-06-2021

Sommige ondernemers hebben na de staking van hun onderneming het voornemen om de behaalde stakingswinst binnen twaalf maanden na de staking te herinvesteren. Een bedrag ter grootte van de vervangende investeringen vormt dan te conserveren inkomen. De inspecteur moet dit inkomen meteen opnemen in een conserverende aanslag.
Een man exploiteert een snackbar. De voorraden voor de snackbar bewaart hij in zijn loods. Eind 2015 verkoopt de ondernemer zijn snackbar. Hij is dan van plan om een lunchroom te beginnen in een voormalig bankgebouw. Uiteindelijk gaat dat niet door. Maar de man huurt wel per 1 januari 2018 een nieuwe loods. Daarin exploiteert hij een autobedrijf. Tussen de man en de Belastingdienst ontstaat vervolgens een geschil over de vraag of de onderneming in 2015 is gestaakt. Als dat niet het geval is, is de volgende vraag of de man een herinvesteringsreserve (HIR) mag vormen. Is de onderneming echter wel gestaakt, dan kan sprake zijn van te conserveren inkomen. De man stelt dat hij eind 2015 zijn oude loods nog niet heeft verkocht. Daarnaast is het zijn voornemen geweest om binnen een redelijke termijn vervangende investeringen te doen. Maar Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de onderneming wel is gestaakt. Na de verkoop heeft niet echt iets plaatsgevonden in de onderneming. De omstandigheden die de man aangeeft, missen het gewicht om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank oordeelt verder dat de man geen HIR mag vormen. De rechtbank behandelt vervolgens de vraag of (een deel van) de stakingswinst van € 188.438 te conserveren inkomen vormt. Dat is alleen zo voor zover de man het bedrag van de voorgenomen investeringen aannemelijk maakt. Uit correspondentie tussen de ondernemer en een makelaar is te halen dat de man binnen twaalf maanden een nieuwe onderneming wilde starten. Maar hij maakt slechts € 42.500 aan vervangende investeringen aannemelijk. De rest van de stakingswinst valt daarom belast vrij. Ten slotte stelt de inspecteur dat hij op grond van de wetssystematiek eerst een gewone aanslag moet opleggen en daarna een conserverende aanslag. Deze systematiek is mogelijk nadelig voor de ondernemer. Door het tijdsverloop mag de Belastingdienst namelijk misschien geen conserverende aanslag meer opleggen. De rechtbank verwerpt het standpunt van de inspecteur. De fiscus mag de op een conserverende aanslag verschuldigde belasting niet heffen via een gewone aanslag. De rechtbank bestempelt het bedrag van € 42.500 dan ook als te conserveren inkomen. Vanwege de toepassing van de MKB-winstvrijstelling van 14%, vermindert de rechtbank het belastbaar inkomen uit werk en woning in de aanslag IB/PVV 2015 met € 36.550. Bron: Rb. Noord-Nederland 23-04-2021